Verandering van Taal
Onze samenleving verandert in een razend tempo en daarmee ook de taal waarin we met elkaar communiceren. Voortdurend wordt onze woordenschat uitgebreid met nieuwe begrippen: polarisatie, selfie, graaiflatie, krimpflatie, beknibbelflatie — waarbij dure ingrediënten ongemerkt worden vervangen door goedkopere alternatieven — breinrot, of het uit de coronaperiode afkomstige ‘knuffelcontact’.
Taal verbindt mensen, zorgt voor kennisoverdracht en helpt bij het vormen van identiteit. Taalverandering is van alle tijden. Nieuwe woorden ontstaan omdat samenlevingen veranderen en nieuwe situaties benoemd moeten worden.
Soms verschuift niet alleen het woordgebruik, maar ook de betekenis zelf. Neem het begrip ‘geuzen’, afgeleid van het Franse gueux — schooier of bedelaar. Oorspronkelijk een scheldwoord van de Franse adel voor Nederlandse edelen en later voor de opstandelingen tegen de Spaanse overheersing. Wat begon als minachting groeide uit tot een symbool van verzet en vrijheid.
Hetzelfde geldt voor ‘bourgeoisie’. Oorspronkelijk verwees het begrip naar de gegoede burgerij van het laatmiddeleeuwse Europa: een materialistische en behoudende bovenlaag van de stedelijke bevolking. Met de industriële revolutie veranderde ook de politieke lading. Binnen het marxisme werd de bourgeoisie de heersende klasse van het kapitalistische systeem: fabriekseigenaren, bankiers en grote zakenlieden. In de volksmond kreeg het woord later opnieuw een andere gevoelswaarde: burgerlijk, bekrompen, zelfgenoegzaam. De betekenis van woorden weerspiegelt maatschappelijke machtsverhoudingen en sociale strijd.
Vandaag lijken opnieuw begrippen van betekenis te verschuiven. Neem ‘staakt-het-vuren’. Tot voor kort betekende dat een formele afspraak tussen strijdende partijen om militaire operaties tijdelijk stop te zetten als opstap naar onderhandelingen of humanitaire hulpverlening. Bombardementen en vijandelijkheden werden opgeschort om ruimte te creëren voor diplomatie.
De oorlogen in het Midden-Oosten tonen echter een andere praktijk. Onder de vlag van een ‘staakt-het-vuren’ gaan bombardementen, bezettingen en militaire operaties vaak gewoon door. Het begrip krijgt daardoor een nieuwe invulling: geen echte wapenstilstand, maar een tijdelijke herschikking binnen een voortdurende oorlog.
Diezelfde verschuiving klinkt door in de beslissing van de Amerikaanse minister van Defensie Pete Hegseth om opnieuw te verwijzen naar de oude benaming ‘Ministerie van Oorlog’. Dat is meer dan symboliek. Het verraadt een wereldbeeld waarin militaire macht niet langer uitsluitend draait om verdediging, maar om geopolitieke dominantie, controle over handelsroutes, grondstoffen en invloedssferen.
Vanuit die logica wordt ook het pleidooi van Theo Francken begrijpelijker, wanneer hij oproept tot een actievere militaire betrokkenheid van Europa bij de Afrikaanse mijnbouw, in het bijzonder in Congo. Achter woorden als ‘veiligheid’, ‘strategische autonomie’ of ‘economische belangen’ schuilt steeds vaker een harde strijd om zeldzame metalen, energie en grondstoffen.
Ook begrippen als ‘internationaal recht’ en ‘maritiem recht’ lijken vandaag een andere betekenis te krijgen. Hugo de Groot (1583-1645), grondlegger van het moderne volkenrecht en zeerecht, formuleerde ooit het principe dat de zee vrij toegankelijk moest zijn voor alle naties. Geen enkel land mocht de zee monopoliseren.
Ironisch genoeg schreef De Groot die juridische theorie in opdracht van de VOC, ter verdediging van de kaping van het Portugese schip Santa Catarina. Het schip vervoerde een gigantische lading zijde, porselein en andere kostbaarheden. De buit leverde enorme winsten op, maar riep tegelijk vragen op over legaliteit en moraal. De Groot verdedigde de roof als een legitieme daad binnen het oorlogsrecht en gebruikte die argumentatie om de commerciële expansie van de VOC juridisch te legitimeren.
Zijn theorie over de ‘vrije zee’ groeide later uit tot een fundament van het moderne zeerecht. Maar tegelijk toont die geschiedenis hoe juridische principes vaak verweven zijn met economische en geopolitieke belangen.
Het Internationaal Gerechtshof in Den Haag werd na de Tweede Wereldoorlog opgericht om conflicten tussen staten via rechtspraak in plaats van oorlog te beslechten. Toch hebben zowel de Verenigde Staten als Israël herhaaldelijk laten verstaan dat uitspraken van internationale hoven slechts gelden zolang ze hun belangen niet raken. Wanneer internationale regels hinderlijk worden, verdwijnen ze plots naar de achtergrond.
Daardoor krijgt ook het begrip ‘internationale rechtsorde’ een andere gevoelswaarde. Minder een universeel systeem van afspraken tussen gelijke staten, en steeds meer een instrument dat selectief wordt toegepast.
De recente kapingen en inbeslagnames van olietankers doen vermoeden dat de redenering van de jonge VOC-jurist opnieuw aan invloed wint. Niet het recht bepaalt de macht, maar de macht bepaalt welk recht geldt.
Benny AHLERS