Zelf Lommels nieuws insturen? Dat kan via lommelsegazet@telenet.be

Grijze massa

Grijze massa

 

Een te gekke party was het. Leuke sfeer, lekker eten en een ruim assortiment aan alcoholische en non-alcoholische dranken: Belgische bieren, Franse wijnen, Italiaanse limoncello, Spaanse sangria, Amerikaanse cola en melk uit Koeweit. Maar ik had geen zin om te feesten. Het water stond me aan de lippen. Niet dat ik me in een netelige situatie of in zeer groot gevaar bevond, nee, ik dronk gewoon een bronwatertje uit Spa. Om mijn lever rust te gunnen. Rust die mijn brein me hoogstzelden gunt.

Ik zie driftig dansende dronkaards en houd mijn adem in. De dansvloer blinkt als een spiegel. Mijn gedachten dwalen plots of naar Nina Derwael, het frivole, doch bescheiden turnstertje uit Sint-Truiden dat een paar jaar geleden een gouden medaille won op de Olympische Spelen. Daar is ellendig veel doorzettingsvermogen voor nodig en de juiste spirit. Olympisch kampioene word je uit bezetenheid, niet door dagelijks als een bezetene aan spirituele brouwsels te tutteren. ‘Ik ken niks van drank,’ zou ze ooit tijdens een interview gezegd hebben, ‘tenzij het over Spa gaat.’ Een frisse geest in een lenig lichaam. Zuivere zelfkennis en tegelijkertijd een verrassende, wervelende woordspeling.

Een al even onverwachte als onvrijwillige spagaat deed ik op uiterst houterige wijze in de zomer van 2009, toen ik uitschoof op de spekgladde, pas geboende keukenvloer, terwijl ik en passant in de weelderige decolleté van de poetsvrouw probeerde te gluren. Een fractie van een seconde dacht ik dat ik nooit nog opnieuw papa zou worden, dat ik mijn lies inclusief edele delen scheurde. Gelukkig was het mijn linnen broek. Enorme pijnscheut desondanks. In die tijd droeg ik vaak humoristische boxershorts. Dat was toen in. In mijn beleving althans. Die dag was het een knalgele, met in het midden een lachend stripfiguurtje met een opvallend lange, felrode tong en daarboven het Duitse opschrift ‘Bin Geil’. De poetsvrouw schrok zich rot van mijn plankerige capriolen, grinnikte en schrok een tweede, derde en vierde keer. Van mijn boxershort, mijn door merg en been gaande doodsreutels, en van de stank. Tijdens het hele gebeuren had ik ongewild een wind laten ontsnappen die qua volume misschien net geen olympisch goud verdiende, maar die desondanks kon gevalideerd worden als een nieuw decibelgisch record. Een week later belde de poetsvrouw af. De week daarna ook. En die daarna. Eigenlijk hebben we haar nooit meer teruggezien. Vond ik doodjammer, dat mag je gerust weten.

Genoeg gerust, lever. Een of twee trappistenbiertjes zal je nog wel aankunnen. Wat maakt het uit? Organen zijn sowieso overschat. Er zijn mensen die leven met maar één nier, een stuk maag en velen zelfs zonder hart. Mezelf kan ik daar niet van beschuldigen, want het mijne bonst als een gek als ik terugdenk aan Gouden Nina en onze ex-poetsvrouw. De ene flexibel, gedisciplineerd, sportief, schraal en deskundig qua taal, de andere wulps, weelderig beboezemd en overdreven kwistig met zwabber en zeep. Al vlug maak ik daar in mijn hoofd allerlei visuele voorstellingen van. Ik hou van alle vrouwen, mijn hart is veel te groot. Daar ben ik mee geboren en daar ga ik ook mee dood. Slik.

Plots dringt de loeiharde muziek weer tot me door. Zelf drink ik ook goed door. Dadelijk zal mijn diepzinnig gefilosofeer overspoeld worden door wereldse, misschien wel platvloerse gedachten. Zo gaat dat met alcohol. Al zit dansen er nog steeds niet in. Ik begeef mij in het feestgedruis en verdwijn in de massa. De grijze massa.

Danny Vandenberk