Verfoeide fooi
'Het is goed zo!' Mijn standaardzinnetje bij het geven van een fooi. Ik zeg het niet meer zo vaak, althans niet bij het vereffenen van een rekening in de horeca. Wél, en misschien nog net wat uitbundiger, in de thuissituatie. Als mijn vrouw heel goed bezig is en het binnen de kortste keren helemaal in orde gaat komen. 'Nog, nog!' kreun ik dan in eerste instantie. Meestal ligt de klemtoon daarna anders en is mijn stemtimbre wat lager, soms op het hijgende af, een grote lust en satisfactie verradend. Voor haar een signaal dat ze heel goed bezig is en dat het einde er zit aan te komen. Ondertussen zijn we zo op elkaar ingespeeld dat het allemaal op gevoel gaat. Echt genieten is dat, zeker omdat ik gewend ben om het bijna altijd zelf te doen, omdat ik regelmatig alleen ben. Tot het voor mij genoeg is, en dan zeg ik met diepe stem dat het goed geweest is, ook al heeft zij altijd nog de drang om even door te gaan. Ja, ik kan het echt enorm waarderen als ze mijn glas cola bijvult, maar ik drink niet graag uit een glas dat tot aan de rand gevuld is.
Een gevoel dat mijn portefeuille al lang niet meer kent. 't Is weer een hele tijd geleden dat hij nog uitpuilde of tot de rand gevuld was. Zoals wij allemaal, betaal ik tegenwoordig doorgaans digitaal. Soms zelfs contactloos. Daardoor geef ik bijna nooit nog een fooi, al zijn er hier en daar ook restaurants met van die betaalkastjes waarop de mogelijkheid geboden wordt om een percentage fooi of een bepaald bedrag extra toe te kennen. In mijn hoofd is dat nog koeler, kunstmatiger, onmenselijker en onnatuurlijker dan contactloos.
Vroeger vond ik het ongepast om, weliswaar te gepasten tijde, te betalen met gepast geld. Het waren andere tijden. Uitgaan was nog betaalbaar. Niet dat ik er zelf aan deelnam, maar er werd bijvoorbeeld nog gedanst. Nu doen alleen de prijzen dat, swingend, de pan uit. Tegenwoordig denk je wel eens even na vooraleer je met drinkgeld begint te strooien.
Over pannen gesproken, in het verleden ging ik ook veel vaker uit eten dan tegenwoordig. Hoe groter het gezin, hoe groter ook de kans dat niet iedereen zin heeft om de maaltijd buitenshuis te nuttigen. Als thuiskok beschouw ik dat als een groot compliment en zing en swing ik zelf wel een deuntje terwijl ik met de pannen rondzwier. Mijn geswing wordt nog wel gesmaakt, maar mijn zangstem serveert alleen gerechten die niemand lust.
Enfin, ik heb het gisteren dus nog eens gezegd. 'Het is goed zo!' Daarbij wreef ik bijna op sensuele wijze een briefje van vijftig in de handjes van de knappe jeugdige serveerster, nadat ze ons op vriendelijke wijze en met de (mooie) glimlach van spijs en drank had voorzien. Het feit dat ze zelf ook goed voorzien was, speelde zeker niet in haar nadeel. Zeg maar gerust wel in haar twee voordelen.
'Het is goed zo!' zei ik dus als vanouds, een fooi van dik vier euro toestaand. Het voelde fijn en natuurlijk, zoals het hoort. Mijn mee-eter, tegelijk ook mijn echtgenote, vond het maar niks. Ze tssss!-te zelfs, waarmee ze openlijk te kennen gaf dat ze me wel doorhad, zonder veel te zeggen. Die 'vetzak!' die ze gromde, was totaal overbodig. Ook al was het nadat ik gezegd had dat ik die hete serveerster liever die vier euro had laten teruggeven, waarna ik zou zeggen dat ze die in haar spaarpotje mocht steken. Doelend op haar decolleté. Dat ik het indien gewenst met veel plezier zelf zou doen. De jeugd moet ook leren hoe ze met geld moet omgaan.
Danny VANDENBERK