Oppervlakkige observatoren

Oppervlakkige observatoren

Middagpauze. Een uur lang.

Ooit waren we, elk op ons eigen momentje, aangenomen door dezelfde werkgever en in dezelfde afdeling geplaatst.

We wandelden. Een samenloop van omstandigheden. Weinig uiteenlopend onze motieven.

Vroeger lazen we. Tot we lazen dat zittend werk ongezond was. Dat een mens moet bewegen. Wandelen volstond al voor een gezondere levensstijl. Liefst 10.000 stappen per dag. Calorieën verbranden. Overgewicht vermijden. Voor sommigen was het al te laat en moest er dringend iets aan gedaan worden.

Voor oppervlakkige observatoren was ik het buitenbeentje. De enige man van het gezelschap. Nee, ik had het niet gelezen in de Flair. Dat klopt. Ik wist het zo al, van dat gezondheidsaspect. Zelfs van die 10.000 stappen. Toch vond ik me erbij horen. Soms voelde ik me als zo'n dingetjesding, hoe heet het, een kuddedier. Positief bedoeld.

In mijn broekzak een stappentellertje. Speciaal gekocht om me dagelijks gerust te stellen dat ik het quotum haalde. Zoals altijd liep het bij mij uit de hand. Ik noteerde plichtsgetrouw mijn dagscores in mijn agenda en als het bedtijd was en ik had bijvoorbeeld nog maar 9.637 op m'n teller, dan liep ik net zo lang rond de keukentafel tot ik die vier nulletjes zag, met dat bevrijdende en herkenbare eentje ervoor. Want ik was me er eentje en ik bén me er eentje.

Door al dat gepalaver over gewichtsverlies en calorieën was ik zelfs een tikkeltje anorectisch geworden, behalve als er bier of een frituur in de buurt was. Ik vermeed beide zo veel mogelijk. Initiatieven als '100 dagen zonder alcohol' werden nog net niet op gejuich onthaald en met succes afgerond.

Op werkdagen aten we onze boterhammen omstreeks 11.45 uur aan onze bureautjes of gewoon onderweg. Het was raadzaam om de middagpauze wandelend door te brengen want anders kwam je er nooit. Zeker niet tijdens de wintermaanden met koude donkere avonden. Ik, op 5.249 blijven steken? Een nachtmerrie. Of toch bijna. Laat ons het houden op schuldgevoelens en inwendige scheldpartijen aan het eigen adres.

Dat ging vele maanden goed, op hier en daar wat uitzonderingetjes na. Ik catalogeerde ze als overmacht. Plensbuien en sneeuwstormen bijvoorbeeld.

Tot iemand iets zei over iets nodig hebben. Uit de nieuwe doe-het-zelfwinkel vlakbij. Hoe gezellig het zou zijn als we daar tijdens de middagpauze met z'n allen eens een keertje naartoe gingen? Ik was het er helemaal niet mee eens. Hoofdreden: loopafstand heen en terug amper vijftienhonderd stappen. Om mee te janken. Bijkomende reden: ik in een doe-het-zelf? Je kan evengoed aan een olifant vragen om mee te gaan naar een porseleinwinkel.

Maar de kudde wilde het zo, dus ik volgde.

732 stappen later stonden we in het gebouw waar ik uiteraard nog nooit binnen geweest was. Een vrij brede inkomhal met links een enorme spiegelwand. Ongeveer tien meter verder een automatische deur met daarachter het walhalla voor elke klusser. De vrouwelijke schapen trappelden luid blatend naar binnen en hadden geen oog voor hun ram, die toch al heel de tijd vol schroom achteraan had gelopen en geen zin had in die hele doe-het-zelf rimram. Af en toe was kudde echt kut.

Ik bleef achter in de lege inkomhal. Heel alleen. Twee minuten. Vier minuten. Nog steeds niemand te zien. Wat ik al dacht: doe-het-zelfwinkels zijn absoluut niet populair.

Stilstaan is achteruitgaan. Het levert geen stappen op. Het telt eerder af. Dat zou toch niet? Wel? De moeite van het checken waard. Ik huppelde naar de spiegelwand en deed een imitatie van Michael Jackson. Eerst duwde ik mijn denkbeeldige hoed naar voor, dan greep ik in mijn kruis, net zoals Michael dat deed, en daarna deed ik een moonwalk, waarschijnlijk NIET zoals Michael dat deed. Maar het was wel achterwaarts. Tot mijn grote opluchting telde het bij en niet af.

En huppelen? Na een half minuutje intensief huppelen waren er vijfenvijftig stappen bij gekomen.

Nog steeds geen levende ziel te bespeuren. Die spiegelwand is echt geweldig! Ik zou willen dat ik er thuis ook zo een had. Boven de eigen bedstee eventueel. Alhoewel, nee, ik zou schrik hebben dat hij vroeg of laat of tijdens de daad naar beneden zou vallen.

Bekken trekken! Kin naar voren en nekspieren opspannen. Angstaanjagend! Dit mannelijk schaap lijkt op een soort hagedis of leguaan nu, met al die strepen in m'n nek en die tong bungelend uit m'n bek. Ik hou zo van spiegels!

'Here's Johnny!' roep ik ineens, met bijhorende pose. Wat zou ik een goede Jack Nicholson zijn in 'The Shining'. Ik lees zelf ook weleens wat, en zo heb ik ooit gelezen dat je heel wat calorieën verbrandt als je naar horrorfilms kijkt. Anderhalf uur naar een griezelfilm kijken zou het equivalent zijn van een half uur wandelen.

Wat duurt dat lang zeg? Hoe kunnen die wijven nu zo geïnteresseerd zijn in al dat saaie gereedschap!

Ik blijf in die megaspiegel turen en tracht mijn record 'tong naar neuspunt brengen' te verbreken. Zoals altijd voelt mijn spreeklap na een minuut aan als schuurpapier.

Knipoogje! Denkbeeldige borsten optillen. Wangen opzuigen. Nog een knipoogje, maar nu met een duckface. Zou ik mezelf kunnen verleiden? Antwoord is ja. Kusjes op de spiegel. Bah, Danny! God weet wie heeft die spiegel al aangeraakt? Duizenden ziektekiemen! Yuk!

Nog steeds geen hond te zien hier. Laat staan vrouwelijke schapen. Ooien heten ze eigenlijk. Mooie ooien! Hebben ze nog steeds niet gezien dat ik er niet meer bij ben? Denk maar niet dat er eentje ongerust wordt of zo, hoor!

Toch nog eens moonwalken! Ik ben een smooth criminal!

Ai, ik schoof net iets te enthousiast en kan met heel wat moeite, kunst- en vliegwerk een achterwaartse val vermijden. Eigenlijk niet. Ik geef het toe: ik zat plots op m'n achterwerk en m'n staartbeen deed enorm veel pijn.

Wat is dat kabaal? Een menigte? Ineens was een stuk spiegel weg. In het midden van die gigantische spiegelmuur stond een spiegeldeur die in gesloten toestand nauwelijks op te merken was. Wat een ruimte achter die spiegel! Een verborgen kantoor, met daarin een bende luide lachers. Gierders. Brullers.

Jawel, achter die enorme geluidsdichte wand huisde de volledige administratieve dienst van de doe-het-zelfketen. Ze hadden alles gezien en gevolgd. En ondertussen waarschijnlijk honderden calorieën verbrand.

Ik wist niet waar kruipen, maar ik stond sneller op dan ik gevallen was. 'Dag,' zei ik tegen de grote man met het geruite hemd die me met een veel te brede glimlach recht wilde helpen en mankte met m'n pijnlijke staartbeen naar buiten. Zonder achterom te kijken. Het duurde zeker vijfennegentig stappen voor ik het gelach en gegier hoorde afnemen en voor ik aan m'n kontknook durfde te voelen, want het voelde alsof m'n staartbeen eruit gekomen was.

Misschien hadden de oppervlakkige observatoren wel gelijk en ben ik daadwerkelijk een buitenbeentje. Na eigen observaties gelukkig geen buitenstaartbeentje.

Danny VANDENBERK