Rond en op de reus van Bosland

Bovenop de toren staat een bezoeker,
gevangen in een schaduwgracht van licht,
zijn silhouet scherp tegen de gloed,
alsof hij zelf deel wordt van de horizon.
De zon zakt traag, schildert de lucht
in lagen van oranje, vloeiend naar geel,
en verder, bijna onmerkbaar, naar diep blauw.
Wandelaars, verkleind tot stippen,
zacht, traag, zonder geluid.
De stilte draagt hen.
Hoog daarboven snijden vogels door de lucht,
zwart tegen het laatste vuur van de dag,
vrij, maar even stil als alles hier.
En de kleuren blijven verschuiven,
ademend, vervagend, tot alleen de nacht nog spreekt.