Doodgewoon
Een publieke plaats. De winkel die doet denken aan Magere Hein. Het is er fris als je binnenkomt. Kil! Dat hoort zo. Voor de groenten, het fruit, het vlees, de vis en alles wat vers is, of hoort te zijn. Mijn zijn hoort niemand.
Ze weten niet welk gevaar ze lopen. Ze hebben geen idee. Alle mensen zijn hebberig, of onverschillig. Straks misschien koud. Ze zien het niet eens. Of willen het niet zien. Ik ben gewapend.
Waarom heb ik dat wapen eigenlijk meegenomen? Kwam het door die dikzak? Jij gaat met je smerige tengels van mijn boodschappen blijven, die vieze worstenvingers zijn misschien niet eens gewassen en ontsmet, na je plaspauze van daarnet, dacht ik rijmend toen ik daarstraks van de parking naar de ingang liep en de kale opgezwollen kassier door het winkelvenster aan het werk zag.
Misschien ben ik diep vanbinnen een heel angstig mannetje en hadden de persoonlijkheidstests gelijk. Zou het? Honderden idiote vragen tijdens zo'n test, soms een paar keer dezelfde, maar net ietsje anders geformuleerd. En dan die meerkeuzedingetjes! Hoorndol werd ik ervan. Op het agressieve af. Ik wilde alles te precies doen, te correct, en na elke vraag moest ik verplicht doorgaan. Niet terugkijken. Niet vergelijken. Doorgaan. Sneller!
Een paar persoonlijkheidsstoornissen, waaronder een mogelijke psychopathische deviatie. Dat was destijds de conclusie. So what? Ik mocht gewoon naar buiten. Vrij rondlopen. Doen wat ik wil. Op mijn tempo. Dat doe ik intussen al vele jaren. Niks aan de hand. Ik ga mijn gang. Zo ook deze zondag. In de winkel van Magere Hein.
Geen angst in hun ogen. Dat valt me zwaar tegen. Zie ik er dan zo onschuldig uit? Waarschijnlijk wel, met mijn sullige brilletje, mijn totaal gebrek aan spiermassa en m'n rare gangetje. Dat laatste is iets medisch. Holle voeten, waardoor ik te veel op m'n buitenkant loop, m'n knieën overbelast, daardoor m'n rug onnatuurlijk houd en m'n nek naar voren steek. 't Is geen gezicht. Ik lijk wel een gier. Mensen voelen dat. Hem moet ik pas vrezen als ik dood ben. Hij is een gier. En gierig op de koop toe, want hij heeft nog niks in zijn winkelkarretje liggen.
Ik heb nooit stoer willen zijn. In m'n jeugd misschien, heel even. Naar een tatoeage bijvoorbeeld heb ik nooit verlangd, tenzij die ene keer, toen ik een streepjescode op mijn rechterbovenarm wilde. Voor de grap. Of was het een statement tegen de consumptiemaatschappij? Vergeten. En toen ik een wit jeansjasje wou zoals Axl Rose van Guns N' Roses. Nooit gevonden. In geen enkele winkel. Ik wilde cool zijn. Koel. Diep vanbinnen ben ik een Noor. Of een Zweed. Een Deen misschien. Neem het van mij aan: ik ben niet bang. Niet bang om het te gebruiken.
We worden vreemden van elkaar. Contactgestoord. Is het mijn schuld? Geenszins. Het is de wereld waarin we leven. Er is geen ontkomen aan. De enige taal die we nog spreken is digitaal. Praatjes vullen geen gaatjes. Ze zijn overbodig. Met een QR-code een kop koffie bestellen, een postpakketje wegbrengen, bioscooptickets kopen ... Allemaal digitaal. 't Is begonnen met die anderhalvemetersamenleving van een paar jaar geleden, tijdens de coronacrisis, zeggen samenzweringstheorieën. Of samenzweringsterroristen zoals ik, van de gewelddadige soort.
Wie kan het wat schelen? 't Is allemaal doodgewoon. Geen haan die ernaar kraait. Ook niet die halve die inmiddels dood in m'n karretje ligt. En die dikke kassier, daar reken ik straks wel mee af. Op mijn manier.
Ze zouden me moeten opsluiten. Of afvoeren naar Zelfscandinavië. Kijk me hier zwaaien met m'n scanpistool. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.
Danny VANDENBERK